Weissensee 2002.

200 km in 11:17u.

Ik ben rustig begonnen aan mijn vierde tocht. De eerste rondjes gaan goed en ik heb er zin in. Ik ben 2 x gevallen en mijn zonnebril is gebroken. Ik zet mijn reserve bril uit de rugzak op en probeer vervolgens weer op gang te komen. Na een valpartij moet je weer op gang komen. Rond 11.00u begint het te waaien. Het is gedaan met de pret. De wind speelt iedereen parten en de meesten gaan in een groepje uit de wind rijden. Ik ben er in principe geen voorstander van i.v.m. valpartijen en rijd meestal alleen of op kop. Dat doe ik nu ook, want als ik val door een ander ben ik verder van huis. Het ijs wordt zacht en dat kost ook extra energie. Een persoonlijk record zet ik uit mijn hoofd en ga proberen deze tocht gewoon uit te schaatsen. Als dat lukt is dat ook al een hele prestatie. Ik zit weer te rekenen, of ik het laatste rondje voor 17.00u in mag gaan. Het zal er om spannen.
Om 16.50u begin ik dan toch aan mijn laatste rondje. Het is ondertussen donker en behoorlijk koud geworden. Het lichaam is aardig op, maar ik wil die 200 km uitrijden. Mijn supporters geven me nog een extra motivatie door te vragen;”Zou je niet beter stoppen ?” De raderen draaien, maar dan zeg ik toch enigszins geëmotioneerd; “Tuurlijk niet, ik ga het laatste rondje in en zie jullie aan de finish !” Ik eet en drink nog wat en ga verder. Ik weet van vorig jaar wat het is om in het donker te schaatsen. Het is vreselijk, je ziet geen scheuren je bent koud en moe. Maar toch ga je door om die finish te halen. En als je dan na dik 11 uur over de finish komt, ben je voldaan. Volgend jaar weer, maar dan sneller. Maar op de Weissensee hangt heel veel af van het weer. Dat is je grootste vijand. Trainen, trainen, trainen, maar als de weergoden je niet gezind zijn, dan is het jammer.